Update slapend dienstverband en vakantie-uren

twee Rotterdamse beschikkingen verbreden het debat

In ons eerdere nieuwsbericht lieten we zien dat de rechtspraak verdeeld is over de vraag of tijdens een slapend dienstverband nog vakantie-uren worden opgebouwd. Twee recente beschikkingen van de kantonrechter te Rotterdam geven dit debat nieuw reliëf: in de ene zaak wordt de opbouw na 104 weken ziekte ondubbelzinnig afgewezen, in de andere kondigt de rechter aan de Hoge Raad om richting te vragen.

Kantonrechter Rotterdam d.d. 24 februari 2026
Op 24 februari 2026 wees de kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026 een verzoek van een werkneemster af om uitbetaling van verlofuren die volgens haar waren opgebouwd in de periode ná het verstrijken van de loondoorbetalingsplicht. De redenering is als volgt: artikel 7:634 lid 1 BW koppelt de opbouw van (wettelijke minimum)vakantie aan perioden met recht op loon; die koppeling wordt na 104 weken doorbroken omdat de loondoorbetalingsplicht eindigt op grond van artikel 7:629 BW. Daarmee stokt de opbouw van wettelijke vakantieaanspraken zodra de 104-wekenperiode is verstreken.

Opvallend is hoe de kantonrechter het Unierecht wikt en weegt. Toetsing aan artikel 31 lid 2 van het EU‑Handvest en de Arbeidstijdenrichtlijn (2003/88/EG) leidt in deze zaak (in tegenstelling tot de eerder besproken uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025) níet tot het buiten toepassing laten van artikel 7:634 lid 1 BW. Kenmerkend voor het slapend dienstverband is juist dat zowel de loondoorbetaling als de re‑integratieverplichtingen zijn uitgewerkt. De recuperatiefunctie van vakantie verliest dan betekenis: er is geen arbeid om van te herstellen. En de inkomensbescherming tijdens vakantie is in dit stadium doorgaans verzekerd via WIA/WW; dubbelop compenseren ligt niet in de rede, aldus in een notendop de overwegingen van de kantonrechter.

Kantonrechter Rotterdam d.d. 2 maart 2026
Slechts een week later, op 2 maart 2026, kiest een andere Rotterdamse kantonrechter voor een rechtsvormende route. In een zaak waarin de werknemer eveneens aanspraak maakt op vakantie-uren opgebouwd na afloop van de 104‑wekenperiode kondigt de rechter aan om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. De kernvraag: bouwt een arbeidsongeschikte werknemer, in afwijking van artikel 7:634 lid 1 BW, vakantiedagen “tegen loonwaarde” op tijdens een slapend dienstverband? De rechter definieert die slapende fase nadrukkelijk als de periode zonder loondoorbetaling en zonder re‑integratieverplichtingen en wijst op uiteenlopende uitspraken in lagere rechtspraak en het belang van rechtszekerheid.

Wat betekent dit voor de praktijk?
De lijnen zijn uitgezet, maar de eindbestemming is nog niet bereikt. Enerzijds ligt er na de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland een goed onderbouwd Rotterdams oordeel dat de nationale loonkoppeling van artikel 7:634 lid 1 BW in de slapende fase standhoudt, ook na een Unierechtelijke toets. Anderzijds is nu expliciet in beeld dat de Hoge Raad om een principieel antwoord zal worden gevraagd op de “loonwaarde‑opbouw” tijdens een slapend dienstverband. Totdat die duidelijkheid er is, blijft er procesruimte aan beide zijden: werkgevers kunnen leunen op de systematiek van de loonkoppeling en het ontbreken van recuperatie in de slapende fase; werknemers kunnen wijzen op het fundamentele karakter van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon en vragen om verwijzing of aanhouding in afwachting van de prejudiciële beantwoording.

Tussenconclusie
Totdat de Hoge Raad deze prejudiciële vraag heeft beantwoord, zal de werknemer kiezen voor de route die de kantonrechter Gelderland beschreef en de werkgever juist voor die van de kantonrechters Noord-Holland en Rotterdam.

Conclusie
De vier uitspraken van de Rechtbank Gelderland, de Rechtbank Noord-Nederland en de rechtbank Rotterdam benadrukken de complexiteit van slapende dienstverbanden en de voortdurende discussie over de daaraan verbonden rechten en plichten. De Hoge Raad geeft hopelijk op een niet al te lange termijn meer zekerheid in deze kwestie over de opbouw van vakantie-uren na het verstrijken van de 104-weken periode van arbeidsongeschiktheid.
VBV Advocaten zal de uitspraak van de Hoge Raad zodra deze bekend is uiteraard op haar website bespreken. Dus houd onze site en socials in de gaten.

Meer informatie
Wil je ook meer weten over slapende dienstverbanden en opbouw van vakantie-uren na 2 jaar arbeidsongeschiktheid? Of wil je meer informatie over het arbeidsrecht of heb je vragen naar aanleiding van dit artikel, neem dan contact op met ons kantoor. Wij helpen je graag.

Angelique Verweij, Wesley Sallé, Joost Hoeve of Jasper Schans

a.verweij@vbvadvocaten.nl of w.salle@vbvadvocaten.nl of j.hoeve@vbvadvocaten.nl of j.schans@vbvadvocaten.nl

tel. 0341-760 510

 

Bron: rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBROT:2026:1852, ECLI:NL:RBROT:2026:2021,  ECLI:NL:RBGEL:2025:7054 en ECLI:NL:RBNNE:2025:5517).

 

Hoewel de uiterste zorg is besteed aan de inhoud van dit nieuwsbericht, aanvaardt VBV Advocaten geen aansprakelijkheid voor onvolledigheid of onjuistheid.